Sonates van Biber in de Oosterkerk

Werkt de video hierboven niet? Kijk dan rechtstreeks via Twitch: https://www.twitch.tv/francpolman

Deze maand spelen Franc Polman (viool) en Henk Verhoef (orgel / klavecimbel) vanaf 11 mei iedere werkdag om 17:00 uur, één van de zogenaamde Mysterie- of Rozenkrans-sonates van Heinrich von Biber (1644-1704). Helaas kan hier geen publiek bij zijn, daarom worden de sonates live uitgezonden. De sonates zijn tussen de 5 en 8 minuten lang, dus je moet echt op tijd achter de computer zitten!

De eerste week worden de vijf sonates die de ‘blijde geheimen’ als onderwerp hebben gespeeld. De tweede week de vijf ‘droevige geheimen’ en de laatste week van de maand de vijf ‘glorievolle geheimen’. Op zondag 31 mei zal Franc Polman de Passacaglia voor viool solo spelen, die de serie composities afsluit.

 

Mysterie- of Rozenkrans-sonates

Heinrich Ignaz Franz von Biber (1644-1704) was één van de grootste vioolvirtuozen van de zeventiende eeuw. Zijn meest bijzondere werken zijn de Mysterie- of Rozenkrans-sonates. De sonates heten zo, omdat ze de ‘Geheimen van de Rozenkrans’ tot onderwerp hebben. Het zijn als het ware muzikale overdenkingen bij episodes uit het leven van Jezus, zoals de geboorte, de kruisweg, de verrijzenis etc. bedoeld om te klinken in het kader van de Maria-devotie in het Salzburg van de zeventiende eeuw.

Voor violisten zijn de sonates een uitdaging, niet alleen omdat de muziek zelf virtuoos is. Biber vraagt de violist om zijn viool anders te stemmen dan normaal. Dat geeft een bijzondere klank aan iedere sonate. Technisch is dat lastig, want de violist ziet andere tonen dan hij hoort; de notatie is als het ware een geheim, waarvan de betekenis zich alleen kan openbaren door te spelen.

Violist Franc Polman studeerde in Amsterdam. Hij speelt in binnen- en buitenland in verscheidene orkesten, waaronder het Orkest van de 18de Eeuw, en in kamermuziek-ensembles. Henk Verhoef is organist van de Oosterkerk.

 

Onderstaand volgt een overzicht van de vijftien sonates en de Passacaglia, met de gravures die in het handschrift van Biber voorafgaan aan iedere sonate. Ook is steeds de stemming van de viool afgebeeld. Ten slotte voegen we bij iedere compositie een gedicht, waarvan het onderwerp verband houdt met het betreffende mysterie. De gedichten zijn gekozen door dr. Mariëlle Polman (Nijmegen).

 

Donatie

De concerten zijn gratis te bekijken maar een donatie kunnen wij goed gebruiken. Je donatie kan je overmaken naar rekening:
NL25 INGB 0003 1784 54 t.n.v. Stichting Oosterkerk o.v.v. Sonates van Biber
Alvast bedankt!

week I, de vreugdevolle geheimen

maandag 11 mei

Sonate I, in d

De boodschap van de engel Gabriël aan Maria

            Praeludium · Aria, allegro · Variatio · Adagio · Finale

Verkondiging

Groetend wuifde de engel met zijn handen,
En het was, of eensklaps wijde landen
Open lagen voor haar kinderblik.
En in ’t milde hemeldiepe zwijgen
Hoorde zij beklemd haar eigen hijgen,
En zij aarzelde geen oogenblik.
O, ze durfde nauwelijks te schrijden
Door de geurge zilvren lelieweiden
En ze ging bedachtzaam voet voor voet.
En ze voelde niet te kunnen dwalen,
Want haar leidden met hun blijde talen,
Al de nachtegalen van haar bloed.
En er ging een suizing door den hemel,
En zij stond in blindend lichtgewemel,
En ’t zonk in haar toen ze bevend vlood. –
En de engel boog zich voor haar neder,
En zij kende en zag zichzelven weder,
En er viel een lelie in haar schoot.

uit: ‘Marialiederen’ van Willem de Mérode (1887-1939)

week I, de vreugdevolle geheimen

dinsdag 12 mei

Sonate II, in A

Het bezoek van Maria aan Elisabeth

            Sonata · Presto · Allemande · Presto

Elisabeth

Er leefde in haar een heimelijke hoop,
Dat zij nog eens een schoonen zoon zou baren,
En toen haar man intrad met wilde haren,
En nederviel en op zijn knieën kroop,

En kuste, als een hond, haar rimpelhanden,
En spràk, zag zij den engel in zijn stem,
En plotseling begon haar schoot te branden
En zij vereende zich dien nacht met hem.

Toen werd zij als een oude rozeboom
Die langzaam alle blaadren voelt verdorren
En zich wegsterven laat en zonder morren
Haar kracht perst naar één knop en die is schoon.

En op een morgen, met den eersten dauw
Ging er een ruischen door haar duldend hopen,
En brak de zon harts vreugdfonteinen open,
En zij glimlachte als een jonge vrouw.

Willem de Mérode

week I, de vreugdevolle geheimen

woensdag 13 mei

Sonate III, in b

De geboorte van Jezus

Sonata · Courante · Double · Adagio

slaapt, slaapt, kindtje slaapt,
en doet uwe oogskes toe,
die pinkelende winkelende oogskes daar,
’k ben ’t wiegen al zoo moe:
’k en kan u niet meer wiegen,
’k en ga u niet meer wiegen,
slaapt, slaapt, toe!
G’Hebt uw hert – en uw mondtje voldaan,
G’hebt al uw krinkelde krulletjes aan,
ach en ’k en kan van uw wiegske niet gaan:
slaapt, slaapt, toe!

Guido Gezelle (1830-1899)

week I, de vreugdevolle geheimen

donderdag 14 mei

Sonate IV, in d

De opdracht van Jezus in de tempel

Ciacona met 12 varaties

Wanneer men kindren voor een venster brengt,
Vlak voor een venster, dat het stroomend licht
Hangt in het haar en diep in ’t zacht gezicht,
Lachen hun oogen alsof God hen wenkt.

Ik denk, God is als een vereenzaamd man,
Die naar de wereld kijkt en keurt haar goed –
Maar ziet hij kindren voor een venster, dan
Lacht hij en wenkt zooals een vader doet.

En wie goed luistert naar dit stil gesprek,
Die zal de woorden in zijn hart bewaren:
Hij hoort de stem van Gods eenvoudig leven –

Hij aarzelt lang in ’t zonnige vertrek,
En strijkt zijn kind maar langs de blonde haren,
En ziet het zonlicht door zijn tranen beven.

uit: ‘Aan mijn kind’ van Martinus Nijhoff (1894-1953)

week I, de vreugdevolle geheimen

vrijdag 15 mei

Sonate V, in A

De twaalfjarige Jezus in de tempel

Praeludium · Allemande · Gigue · Sarabande · Double

Een kind

Een kind loopt langs de wegen,
het is een timmermanskind,
het komt veel mensen tegen,
het heeft veel tegenwind.

Het loopt met beitel en hamer
vriendelijk van huis tot huis
en biedt voor elke kamer
een gloednieuw, glanzend kruis.

Maar de deuren blijven gesloten,
men is van alles voorzien,
van stofzuigers, radio, loten,
een kruis en een naaimachien.

Een kind loopt langs de wegen,
het is een timmermanskind,
het komt veel mensen tegen,
het heeft veel tegenwind.

Gabriël Smit (1910-1981)

week II, de droevige geheimen

maandag 18 mei

Sonate VI, in c

Jezus’ doodsstrijd in de Hof van olijven

Lamento · Adagio · Presto · Adagio

Dagsluiting

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U.

Gerard Reve (1923-2006)

week II, de droevige geheimen

dinsdag 19 mei

Sonate VII, in F

De geseling

Allemande · Variatio · Sarabande · Variatio

geef me het flegma
het flegma van de bomen
die worden geveld

J.C. van Schagen (1891-1985)

week II, de droevige geheimen

woensdag 20 mei

Sonate VIII, in Bes

De doornenkroning

Sonata (Adagio) · Presto · Gigue · Double I, II

Den nedrigen christen

1. Mijn Vader die mijn smerte siet,
Mijn herte siet,
Mijn hert gebiedt,
En al sijn grepen weet:
My dunckt, daar legt het neer,
Daar legt het nedrig neer,
En, dwaal ick, proeft het selve wis,
Of ’t nog verheven is.

2. Siet, Vader, of mijn oogen aan
Het hoge staan,
En hoge staan?
Siet my gebogen gaan.
Mijn hert, mijn cleyn begrip,
Mijn oordeel is een stip,
Ten comt aan ’t grondelose niet,
Dat het niet door en siet.

3. Als ick u my genegen sie,
Uw wegen sie,
Verlegen bie
Ick u mijn dienst. En wie
Wie ben ick worm, of maad
(Seg ick) die uwen raad
’t Geheym van uw gena-verbond
Soud peylen tot den grond?

4. Heb ick my niet in billijckheyd
Gewillicheyd,
En stilligheyd
Ootmoedig neergeleydt?
So nedrig als een kind,
So nedrig als een kind
Dat sig ten vollen vergenoegt
Als ’t maar de Moeder mint.

5. Een kindje dat maar suygen kan,
En buygen can,
En tuygen van
Sijn onlust met een traan:
En treckt men ’t van de borst,
En treckt men ’t van de borst
’t Mag schreyen om des moeders raad,
maar noyt het twisten dorst.

6. so my Heer uw genade-stroom
te stade coom;
of spade coom;
of sig van my vertreckt:
O! droevigen vertreck!
O! droevigen vertreck!
Nog sal mijn siele swijgen stil
Om dat het Vader wil.

7. O! Sienders, Priesters, Koningen!
Die woningen,
En kroningen
Hebt van Israels Heer.
Wagt verder op sijn gunst,
Wagt verder op sijn gunst
Want in zijn goedheyd grondeloos,
So is sy eyndeloos.

Jodocus van Lodensteyn (1620-1677)

week II, de droevige geheimen

donderdag 21 mei

Sonate IX, in a – De kruisdraging, Sonata · Courante · Double · Finale

Angst

Het is zo ver, Moeder
de morgen was grauw, toen ik wegging van huis
sinds klimt het licht, stil en aanhoudend
wijder klaren al wijder klaarten
en ik dwaal als een vogel boven de wolken
ik wil je zien, Moeder, ik wil nog éénmaal in je ogen zien,
voor de grondelozen diepte mij neemt
je bent zo ver

het is zo ver, Moeder
ik koos de witte stilte, toen ik wegging in de herfst
sinds zonk de wereld onder mijn voeten
zwakker worden de stemmen, hoger en hoger rijzen de
witte zalen
ik luister – straks?
ik wil je horen, Moeder, ik wil nog éénmaal je stem
horen, voor ik wit word
je bent zo ver

het is zo ver, Moeder
ik nam de grijze weg, toen ik wegging in de wind
sinds ging ik de berg op
dieper wijken de dalen, de bossen zijn voorbij en schaarser
wordt het leven tussen de stenen
mijn hart bonst
ik wil bij je rusten, Moeder, ik wil nog éénmaal zachtjes
rusten, voor de sneeuw komt
je bent zo ver

J.C. van Schagen

week II, de droevige geheimen

vrijdag 22 mei

Sonate X, in g

De kruisiging

Praeludium · Aria · Variatio

Klachte van Maria benevens het kruis
Schoon boven alle schone,
Hoe mag ’t geschien
Dat gij dus hangt ten tone
Voor alle lien?
Dat gij dus hangt genageld
Vlak in den wind,
Beregend en behageld,
Mijn liefste kind!
Gij die ’t al hebt geschapen,
Wat vremd bestier!
Hebdij geen plek om te slapen
Elders dan hier?
Waar mag uw bedde wezen
Zo fraai beblomd,
Dat uw bruid uitgelezen
Zo dikmaal romt?
Voor wie de zij doch maken
Dat ledekant,
’T welk zestig mannen waken
met ’t scherp in d’hand?

Ha, ’t hert gaat mij ontzinken
In dit gezicht.
Wie zou zulks van u dinken,
O eeuwig licht?
Wee mij, bedrukte Moeder,
Wee mij, wat raad,
Als ’t nu, o mijn behoeder,
Met U zo gaat!
Zijt gij dan dood, mijn Zone?
Is ’t dan gedaan?
Zijt gij, mijn hulp gewone,
Dus vroeg ontgaan?
Ach Simeon vol weerden!
Ach, ach, o smert!
Nu gaan uw zeven zweerden
Dweers door mijn hert.
Ha kruis, zijt dan gebogen,
Opdat ik dus
Die mij diks heeft gezogen
Voor oorlof kus!
Opdat ik in mijn armen,
O zalig hout,
Voor ’t leste mag verwarmen
Dit Lichaam koud!
Nu dan, Spiegel der mensen,
Rekt naar uw bruid
(Het zijn doch al haar wensen)
Uw arrems uit.
Kom, kom, wil mij geleiden,
‘K zal volgen naar.
‘K en wil van u niet scheiden,
lief wederpaar.
Want hier met u te sterven
Is groot geluk,
Daar u te moeten derven
Waar langen druk.

Justus de Harduyn (1582-1636)

week III, de glorievolle geheimen

maandag 25 mei

Sonate XI, in G

De verrijzenis

Sonata · Surrexit Christus hodie · Adagio

Verrijzenis

En hij was voor ’t weenen harer ogen
Als de zon, die schitterend zijn hooge
Glorie spiegelt in de morgendauw.
En ze voelde haar verklaarde wezen
Tot hem stijgen als de licht gerezen
Dampen uit de versch geploegde gouw.
En ze voelde zich zoo zoet tevreden
Als een bel van wind en water dreef.
En er was niets dat haar vrede stoorde,
Want ze wist dat zij aan hem behoorde
En dat hij nu altijd bij haar bleef.
En ze voelde aldoor zijn liefde trekken.
Voorjaarsbloemen die het dal bedekken
Sproot háár liefde en bloeide mild en jong.
En toen hij haar weder had verlaten,
Ging zij als een jonkvrouw door de straten.
En haar oogen blónken en zij zóng.

uit: ‘Marialiederen’ van Willem de Mérode (1887-1939)

week III, de glorievolle geheimen

dinsdag 26 mei

Sonate XII, in C

De hemelvaart

Intrada · Aria tubicinum · Allemande · Courante · Double

Jezus hemelvaart

Jehovah ademt, en de gouden hemeldeuren
Ontgrendlen. Englen en Aardsenglen staan verrukt:
De Geesten liggen op der geesten wyz’ gebukt,
En wachten knielende op het geen ‘er zal gebeuren.

De Hemel opent zich: de dunne wolken scheuren:
Het spoorloos overleg der boosheid is mislukt:
Messias, nu niet meer door ’t logge vleesch gedrukt,
Vaart in een wolk omhoog, terwyl de Apostels treuren.

Nu ziet Gods groote Zoon, in ’t onbeneveld licht
Der ongeschapen Zon, zyns Vaders aangezicht,
Waarin genoegen, vrede en blydschap is te leezen.

Hy voelt hoe ’s Vaders geest tot hem in liefde blaakt:
Hoe hy de zaligheid der zaligen volmaakt,
En alles eindigt in den lof van ’t Eeuwig Wezen.

Maria Bosch (1741-1773)

week III, de glorievolle geheimen

woensdag 27 mei

Sonate XIII, in d

Pinksteren

Sonata · Gavotte · Gigue · Sarabande

Sonnet op den Pinxterdach (1616)

Al neemt de mensch schoon voor alleen Godt te beminnen
En’ voortaen na zijn woordt te leven; ach! hoe swak,
Hoe krank en’ ras vernielt is sulk gedacht? Want strak
Komt oude qua gewoonte weer dwerlen in de sinnen,

De Duijvel loert altijdt, hoe hij hem sal verslinnen,
De wereldt paeijt hem vast met d’een of d’ander quak:
Soo lang tot dat hij geeft den alderlaetsten snak,
Daerom is ’t hun te doen, dan hebben zij hem binnen.

Maer soo d’heijlige Geest onse gemoedt verselt,
Die troost, en’ maekt het vroom, om tegen het geweldt
Van Duijvel, wereldt, sond en’ qua gewoont te campen.

Want zonder deze geest soo raken wij ten val:
Vervult met dese geest, vermogen wij het al.
O Godt, seindt ons uw’ Geest! zoo moet de Duijvel schampen.

Anna Roemer Visscher (1583-1651)

week III, de glorievolle geheimen

donderdag 28 mei

Sonate XIV, in D

Maria ten hemel opgenomen

Praeludium · Aria met variaties · Gigue

Lofzang ter hemelvaart van Maria Moeder Gods

Nu dijn leven is gedreven tot den end,
Veel ingelen schoon u zwaremen omtrent
Die met spelen en der kelen muzikaal geluid
Opklimmen nu met u, Maria, schoonste bruid.

Wat al vreugden, wat al jeugden baart de locht,
Die rondom u ziet dien groten ingeltocht
Vleugelzwieren en u stieren naar den hemel schoon,
Waar gij ontvangen zult de onsterfelijke kroon.

Al de zielen voor u knielen in ootmoed
En zingen te gaar een heugelijke groet
In ’t aanschouwen ’t hoof der Vrouwen, hunne koningin,
Die ter gewenster uur nu komt ten hemel in.

Het gehemelt wordt beschemeld door uw schijn,
De sterren des lochts u een hoofdkrone zijn,
Uw voetbane is d’halfmane en het zongestraal
U als een gulden kleed omglinstert tenemaal.

Onbevlekte, onbeplekte spiegel klaar,
Nu spiegelt hem ook de hemel tenegaar
In die stringen die hier vingen Gods eeneeuwig Zoon,
Tot welk hij naar der aard uit d’hemels kwam gevloon.

Hoe schoon bloeit ge, hoe schoon groeit ge nu in ’t vlak
Van Jesse geboomt, gij alderschoonste tak,
Die van ’t leven weergegeven hebt die schone vrucht
Daar Adam, och helaas, moest nemen om de vlucht.

Maar wat monden zullen konden uwen prijs
Och jeugdige hof, och jeugdig paradijs!
Daar de blommen die voortkomen geven zulken geur
Dat men dien rijzen merkt den hemel deur en deur.

Nu gelinkt ge en nu blinkt ge boven al,
Schoon Lelie, die in dit verwilderd dal
Stond te voren in den doren vrij en ongeschend,
Al wervelde veel winds uw bladerkens omtrent.

Och, hoe schone staat uw krone, dageraard,
Die ons doe schone Zon ter wereld hebt gebaard
Die kan zwichten en verlichten alle duisterheid
Daar dat der zonden nacht ons eens had ingeleid.

Schoon Godinne, Koninginne groot van macht,
Nu zit gij bij Hem, die gij hebt voortgebracht!
Naar u vluchten al die zuchten en die zijn belaan,
Betrouwende dat gij hun alle zult bijstaan.

Wilt ontfermen al het kermen en ’t geween,
Hetwelk wordt tot u gestort met volle zeen;
Die uw busten vol wellusten dikmaal heeft gekust
Zal om derzelver wil gepaaid zijn en gesust.

Justus de Harduyn (1582-1636)

week III, de glorievolle geheimen

vrijdag 29 mei

Sonate XV, in C

Maria in de hemel gekroond

Sonata · Aria · Canzone · Sarabande

Hymne voor M.

Gij die alles weet en alles begrijpt,
ook waar Uw Zoon geen tijd voor heeft en geen geduld,
tot U, lieve Moeder, zing ik dit lied:
van U gekomen, keer ik tot U terug.
Moge het niet te lang duren voordat ik weer bij U ben.

Gerard Reve (1923-2006)

zondag 31 mei

Passagalia in g, voor viool solo

De beschermengel

Dichterbij

Er moet een andere wereld
zijn, veel dichterbij. Leven
van kleine bloemen in helder
gras, twee witte vlinders,
hoge bomen van groen zilver
en over een langzame, stille
weg een man en een vrouw in
nadenkend ademen. Het is
al wat ik zie, het begint
wakker te worden van liefde, slaat
overal verwonderde ogen
van samen op. Statig komen
twee paarden over een weide
van geluk, kinderen blijven
onschuldig staan en kijken,
alles is dankbaar van licht,
heimwee, ingetogen herinnering
aan wat komt. In de verte
een grote stad. Een engel
nadert langs een smal, helder
water, lissen, sidderend riet.
Het is veel dichterbij, ik ben
er zeker van, ik zie de weg
langs een hartelijk huis, ik moet
over een ronde brug, vogels doen
mij vleugels aan. Nee, nee, – ik wil
niet anders dan ik ben, ik
wil mijn eigen bange handen,
ik ben blind van verlangen
en eigendom, het is wat ik zie,
ik wil niet voorbijvliegen,
ik wil zijn. Hier, nu. Ik heb
ogen van geluk, liefde, ik ben.

Ik zie hoe de engel langzaam
langs het zwijgende water gaat,
ernstig werpt hij er woorden
in, denken begint en dromen,
mijmeren van doorzichtig bewegen,
schichtige vissen, er springt leven
van spreken uit, een andere wereld,
veel dichterbij. Hij is moe, hij
leunt tegen een oude wilg, zijn
hand aan zijn voorhoofd. Hij is
de eerste engel die ik zie.
Hij heeft een gewoon gezicht,
ik dank God dat hij er niet
anders uitziet dan ik wist.
Buurman, vriend, maar moe
van leven hier, van veel doen
dat anders ongeboren blijft:
niemand iets schuldig zijn,
moeder bezoeken, aandacht hebben,
denken aan moeilijke grenzen,
buigen over een graf, bloemen
meebrengen, luisteren, doen en
laten als een eerlijk mens.
Hij is moe, zelfs de hemel
is het dikwijls te veel. Leven
wil altijd meer, wij komen
handen te kort, onze ogen
tranen van ongeduld en angst.
Misschien heeft hij gedacht:
hoogstens een paar maanden.
Het werden ontelbare jaren
en nog, en nog. Maar
nu is alles over, de wind
ging liggen, tegen de grijze wilg
leunt hij en tuurt zwijgend
over het water. Kijken, kijken
als een mens, wat mooi. Niet
meer van boven af, veel dichterbij:
klaver en boterbloem, kevertjes,
een vlieg, in een wak van licht
roerloos een wachtende vis.

Ogen hebben, de wereld erin,
het innigste licht van de tijd
in de liefste, de andere twee,
en daarbinnen een morgenzee
van geluk. Maar dat weet
hij nog niet. Nu ziet hij breed
een reiger vallen in zijn vleugels,
de hemel wordt er even
hoger van, de weiden strekken
verder hun heldere deemoed
uit, dienen met klaar groen
rustige dieren en zeggen aan
de horizon: achter ons staat
een huis voor leven, een toren
voor de verrijzenis. De engel
weet, maar kan het niet zeggen,
de wereld is dichterbij dan hij
dacht, anders ook, bij
de dingen horen andere namen
dan de eerste, er waren
scherpe wolkenflarden pijn
overheen, ook troebel grijs,
hij wist er geen raad mee.
Gelukkig, het is niet meer.
Eindelijk rust, alles is goed,
niemand hoeft over te doen
wat mislukte, ook hij niet.

De man en de vrouw zien
hem staan, zeggen twee, drie
korte woorden tegen elkaar
en gaan lichter verder. Hij slaat
zijn arm om haar schouder.
Spreken wordt overbodig, woorden
zijn nu voorbij, de dingen
teruggebloeid in hun voorbeeld,
oorsprong en einde ineen. De
dichter, in zijn heldere huis,
kijkt lang en vreedzaam uit
over dit eerste land, herkent,
knikt, en legt zijn pen
neer, eindelijk onbezorgd,
want tussen oog en hart
is geen afstand meer, de
dingen zijn samengevallen
met hun woord. Van de verre
stad glanzen de daken, de dom
het allerhoogst. Er komt
een brede rivier vandaan, water
van parelmoer. Langzaam varen
stille, donkere schepen erheen,
naar de oever glijdt een streep
golvend paars, niet te weer-
houden. De visser in de kleine
groene roeiboot laat zich drijven,
wiegelt even, het vierkante
schepnet in zijn zekere handen.
Hij kent het water, de vissen,
hij eet brood, hij herinnert
zich zijn laatste maaltijd,
de rechte rooklijn uit het vuur bij
het meer. Hoe lang geleden?
Duizend jaar, gisteren, even
vast kan het morgen zijn.
Al wat volgt is voorbij.
Eens had hij een duif
op zijn hoofd, een kruis
op zijn rug, een dood
in zijn borst, levensgroot.
Maar dat is gebeurd, ook
de laatste oorlog, ziekte,
haat, domheid, verdriet en
geloof, middag en avond.
Hij kijkt in zijn genezen handen
en haalt het net op met
de laatste flitsende vis.
Langs de dijk komen de man
en de vrouw, zij blijven
even wachten en kijken,
tevreden dat de visser
één voor één de vissen
teruggooit in het water,
springend kristal, snelle kringen
die uitglijden in stil, wit
licht. Onder aan de dijk
ligt een kerkhof, klein
veilig binnen een vierkant
ernstige populieren. Vaderland,
het laatste graf een halve
eeuw oud, bemoste stenen
scheefgezakt, buigend naar
blauwe kelkjes in het gras.
Tussen de stammen het land,
overal open, onbevreesd. Grote
witte wolken komen aangeschoven
en houden in. Nu is alles
voltooid. De man en de vrouw
zien elkander, gaan liggen
in hoog pluimgras en beginnen
te zwijgen, een sneeuwwitte
storm van tederheid, duizeling,
zielsdiep ademen, dan stilte,
ogen gesloten, borst aan borst.
Op de rivier nog de kleine boot,
de visser roeit langzaam
terug naar de stad met de dom,
om zijn mond een glimlach
van aankomst. De riemen druipen
van vrede, waterlelies, fluisterend
oeverriet. Rond de man
en de vrouw begint het gras
te glanzen, ze leggen hun handen
open tegen elkaar. De engel wendt
zijn hoofd af en gaat, bijna
bedroefd. Zo dichtbij zijn dingen
die ook engelen verblinden.

Gabriël Smit (1910-1981)