Gebouw

De Oosterkerk dateert uit 1671.De Oostelijke Eilanden waren toen het bruisende hart van de Amsterdamse scheepsbouw en zeehandel met de werven en pakhuizen van de Verenigde Oostindische Compagnie op Oostenburg en de werf van de Admiraliteit op Kattenburg. De kerk werd gebruikt voor de Hervormde eredienst tot het gebouw in de jaren zestig wegens bouwvalligheid gesloten moest worden. In 1974 kocht de Gemeente Amsterdam het monumentale gebouw voor het symbolische bedrag van één gulden.

Na jarenlange leegstand werd het gebouw, op aandrang van buurtbewoners, voor dreigende sloop behoed en grotendeels in historische staat hersteld.

Sinds 1985 tot en met mei 2012 werd de kerk gebruikt door instellingen op sociaal en maatschappelijk gebied. De kerk wordt beheerd door de Stichting Oosterkerk, die naast de verhuur van kantoorruimte ook culturele activiteiten organiseert waaronder elke derde zondag in de maand een koffieconcert. Door de symmetrische vorm beschikt deze historische kerk over een grote midden- ruimte, die naast concerten ook uitstekend geschikt is voor andere activiteiten zoals exposities, vergaderingen, presentaties of bijeenkomsten. De hoge ramen rondom zorgen voor een verrassende lichtinval. Het interieur is fraai en sober, de hardstenen vloer is in de winter verwarmd.

De bevolking van de Oostelijke Eilanden was hoofdzakelijk protestants (Nederduits Gereformeerd zoals dat toen heette). In het midden van de 17e eeuw werd voor de eredienst een houten ”preekschuur” op de Rapenburg gebruikt. De preekschuur werd te klein en hij moest wijken voor de bouw van de Rapenburgersluis.

In 1665 gaven de Vroedschap en de ‘Heeren Burgemeesteren’ daarom opdracht om een stenen kerk te ontwerpen, die gebouwd zou worden op de meest centrale plek van de Eilanden:op de Wittenburg aan de Nieuwe Vaart. De bewoners van de Kadijken konden daar ook komen met de overhaal (pontje) in het midden van de Nieuwe Vaart ( die toen ‘Nieuwe Zeevaart’ heette.

Waarschijnlijk heeft Daniel Stalpaard het stramien van de kerk bedacht en Adriaan Dortsman de ontwerpdetails bepaald. Daniël Stalpaard had enkele jaren eerder in ’s Graveland en Oudshoorn kerken gebouwd in dezelfde sobere stijl, die we nu het Hollands classisisme noemen. Hij ontwierp de Oosterkerk in de vorm van een Grieks kruis (met vier lange benen), de hoeken opgevuld met vier lagere aanbouwen, zodat een vierkante plattegrond ontstond met vier zware pijlers binnen in de kerk.

De kerkmeesters gaven de leiding van de bouw in handen van de stadsmetselaar Jan Dilleman Brederode en de meester-metselaar Elias Bouman. Voor de onderheiïng werden 2192 ‘masten’ de veenbodem ingedreven. Om te voorkomen dat de palen rotten moet de muur die er op steunt doorlopen tot onder het grondwaternivo. Dat betekent op de buitendijkse Wittenburg dat de muren doorlopen tot meer dan vier meter onder de kerkvloer. Aan de hoeken van de kerk waren diepe putten om het regenwater op te vangen.

De kerk werd twee jaar na aanvang van de bouw op Eerste Kerstdag 1671 in gebruik genomen. Bij de feestelijke ingebruikname werd er volgens de boeken voor honderden guldens bier geleverd door de Brouwerij de Parel (eveneens gevestigd op de Wittenburgergracht).

De afwerking van de kerk stagneerde al een jaar later, oorlogsjaar 1672, toen Amsterdam bijna door de Franse koning Lodewijk XIV werd ingenomen. Uit de overgebleven kasboeken van de kerk blijkt dat de inkomsten van de kerk bestonden -naast algemene inkomsten zoals ledenbijdragen, collectes en schenkingen- uit de opbrengst van de verkoop van de grafruimte de verkoop van regenwater, ‘stoelen-geld’ en (helaas) af en toe de verkoop van ornamenten zoals de oude kroonluchters, doofpotten etc…

In 1871 bouwde Petrus van Oeckelen een nieuw orgel voor de Nieuwezijdskapel aan het Rokin. Een kleine dertig jaar later werd deze kapel gesloopt en al daarvoor, in 1899, werd het orgel door J.F. Witte naar de Oosterkerk overgeplaatst. Daar verving het een instrument van Hermanus Knipscheer, dat op 19 oktober 1817 in gebruik was genomen. Door gebrek aan onderhoud en de algehele leegstand van de Oosterkerk in de jaren zestig en zeventig raakte het Van Oeckelen-orgel ernstig in verval. Pas in de jaren negentig kwam restauratie van het instrument in zicht. In 2002 werd de restauratie, die werd uitgevoerd door de firma Flentrop, voltooid.

Vaste organist in de Oosterkerk is Henk Verhoef. De dispositie van het orgel is als volgt:

HOOFDWERK (C-f''')	BOVENWERK	   PEDAAL (C-d')
Prestant 16'	        Prestant 8'	   Subbas 16'
Bourdon 16'	        Baardpijp 8'	   Holfluit 8'
Prestant 8'	        Viola di Gamba 8'
Roerfluit 8'	        Quintadeen 8'
Octaaf 4'	        Octaaf 4'
Roerfluit 4'	        Openfluit 4'
Quint 3'	        Nasart 3'
Octaaf 2'	        Gemshoorn 2'
Terts 1 3/5'	        Klarinet 8'
Cornet V disc.
Mixtuur VI	        tremulant
Trompet 16'	        koppels I-II, Ped-I, Ped-II
Trompet 8'	        trede 'sterke stemmen HW af'

Het 16e eeuwse Amsterdam had een stadsmuur en wallen. Hiervan zijn enkele torens, zoals de Schreierstoren en de Munttoren bewaard gebleven. Vanaf de St.Antonispoort (de Waag) liep een dijkje via wat nu de St. Antoniesbreestraat en de Jodenbreestraat is, ongeveer diagonaalsgewijs over de plantage naar de Zeeburgerdijk richting Muiden.

Buitendijks in het IJ lag drassig land, slechts beschermd door een kade (Kadijk). De industrie (zeepziederijen, leerlooierijen, smederijen, brouwerijen, scheepswerven, etc.) werd – wegens zijn overlast en brandgevaar – gevestigd buiten de stadswallen op industrie-eilanden zoals de Lastage en de Rapenburg. De Waal was met zijn palen-rijen in het water een ligplaats voor zeeschepen.

Nadat het stadsbestuur van Amsterdam officieel protestants was geworden (de Alteratie in 1578) vluchtten veel Vlamingen en Portugese joden voor de repressie van de Spanjaarden naar deze stad. Deze toevloed van kennis en handelskapitaal vormde mede een basis voor een periode van grote welvaart. De groei van de bevolking en de bedrijvigheid in de 17e eeuw leidde tot de ambitieuze plannen voor de grachtengordel, de Jordaan, de Westelijke en Oostelijke Eilanden (Kadijkseiland, Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg) en een omwalling rond de stad.

De bouwkavels op de Oostelijke eilanden werden o.a. gekocht door de Admiraliteit (Kattenburg) en de VOC (Oostenburg). Een groot aantal kleinere scheepswerven, zeilmakerijen en aanverwante zaken vestigde zich op de Kadijken en Wittenburg. Bij de bedrijven bouwde men ook woonhuizen.

Wist je dat de Oosterkerk een oudere broer en een jonger zusje heeft?

De Hervormde Kerk in ’s Graveland dateert van 1658, is ook van de hand van Daniel Stalpaert en kan in zekere zin gezien worden als een voorstudie van het ontwerp van de Oosterkerk.

De Christuskirche in het Duitse Emmerich is ca. 25 jaar later dan de Oosterkerk verrezen, naar een ontwerp van de Amsterdamse architect A. van der Leen. De overeenkomst is geen toeval.